Van Testerep tot de Middenkust: hoe Oostende, Middelkerke en Westende één verhaal delen

Rijd vandaag over de kustweg van De Panne naar Knokke en de kustlijn oogt als een rechte, vanzelfsprekende streep tussen duin en zee. Diezelfde weg rijgt Nieuwpoort, Westende, Middelkerke en Oostende aan elkaar alsof ze altijd al buren waren. Toch is die rechte lijn jong.

Wie ver genoeg teruggaat in de tijd, vindt geen ononderbroken strand terug, maar een grillig landschap van geulen, schorren en minstens één eiland dat later gewoon… verdween. Op die verdwenen wereld staan Oostende, Middelkerke en Westende nog altijd met de voeten in het zand. Hun namen, hun ligging en zelfs hun casino’s vertellen dat verhaal, als je goed luistert.

Een kust die niet altijd recht was

Zo’n zesduizend jaar geleden lag voor onze kust geen aaneengesloten strand, maar een systeem van barrière-eilanden, vergelijkbaar met de Nederlandse Waddenzee vandaag. Zand, slik en schorren wisselden elkaar af, gescheiden door geulen die bij vloed vollopen en bij eb droogvallen.

Een van die eilanden kreeg later een naam die nog opduikt in archieven: Testerep, gelegen tussen het huidige Nieuwpoort en Oostende.

Tussen de derde en de achtste eeuw begon de zeewaartse rand van dat landschap te eroderen. Stormen, stijgende zeespiegels, verschuivend sediment: de precieze oorzaak blijft onderwerp van onderzoek, maar het resultaat staat vast. Rond het jaar 700 vormde zich op die plek de Stroombank, en verdween wat ooit een eiland was langzaam onder het water.

Wat overbleef, was een landstrook die van het binnenland gescheiden werd door de Testerepgeul. Op die smalle strook, tussen geul en zee, bouwden de eerste bewoners van deze kust hun bestaan op, met dijken tegen het water en schapen in de wei.

Op het oostelijke uiteinde van die strook stichtte gravin Margareta van Constantinopel in 1266 een havenstad voor kooplieden en vissers: het eerste Oostende. Lang heeft het niet standgehouden.

Op 22 januari 1394 beukte de Sint-Vincentiusstorm het grotendeels weg. Wat overbleef, werd verlaten aan de zee, en iets meer landinwaarts, net ten oosten van de oude plek, verrees een tweede Oostende — de stad die vijf eeuwen later zou uitgroeien tot de “koningin der badsteden” van Leopold II.

De stand genomen vanaf de vaargeul vanuit de rechteroever

De kerk in het midden

Op Testerep ontstonden in de loop van de middeleeuwen verschillende nederzettingen, verspreid over de volle lengte van de strook. Aan het westelijke uiteinde ontstond Westende. En daartussenin, in de tweede helft van de twaalfde eeuw, verscheen “een kerkje en gehucht in de buurt van een grote boerderij”, voor het eerst schriftelijk vermeld in 1218 als Middelkerca.

De naam laat weinig aan de verbeelding over: de middelste kerk, gelegen tussen Oostende en Westende.

Wie de namen ontleedt, ziet dat ze alle drie hetzelfde principe volgen. Het achtervoegsel “-ende” is Oudnederlands voor “einde”: Oost-ende is dus letterlijk het oosteinde van Testerep, Westende het westeinde, en Middelkerke — je raadt het al — de kerk daar precies tussenin. Waar veel plaatsnamen aan de kust verwijzen naar een heer, een heilige of een haven, kregen deze drie gewoon hun positie op het eiland mee als naam.

Het is een zeldzaam mooi staaltje van geografische eerlijkheid, die eeuwen overleefde. Tot ver in de negentiende eeuw bleef Middelkerke precies dat: een landbouwgemeenschap met schapenteelt, wat tuinbouw en beperkte strandvisserij, terwijl de opbrengsten via middeleeuwse handelswegen naar de omliggende markten trokken. Van de latere badstad was nog niets te zien.

Van polderdorp tot badstad

De negentiende eeuw draaide alles om. Oostende kreeg met de komst van Leopold II een koninklijke bestemming en groeide uit tot de plek waar het Thermae Palace later zou verrijzen als bewijs van die ambitie. Middelkerke volgde een gelijkaardig pad, zij het bescheidener: in 1876 werd er formeel een badplaats opgericht, en al snel verschenen hotels en villa’s tussen de duinen waar voordien schapen graasden. Westende onderging dezelfde transformatie van vissersgehucht naar kuststadje.

In 1971 en 1977 werden Westende en dorpen als Lombardsijde en Leffinge zelfs bestuurlijk samengevoegd met Middelkerke tot één gemeente. De middelste kerk werd zo, letterlijk, het bestuurlijke hart van een gebied dat ooit één eiland was.

Twee kusten, drie casino’s

Wie de zeedijk van Oostende en die van Middelkerke naast elkaar legt, ziet nog een tweede parallel: allebei hebben ze een casino, en allebei hebben die casino’s een geschiedenis van vuur, herbouw en heruitvinding.

In Oostende opende in 1878 een eerste Kursaal, ontworpen door Hendrik Beyaert als tijdelijk, verplaatsbaar gebouw omdat Oostende toen nog een vestingstad was. Het week uit naar Frankrijk, waarna een nieuw Kursaal aan de zeedijk verrees. Tussen 1898 en 1906 goot Alban Chambon het om tot een paleis van marmer, eikenhout, graniet en mozaïek, tot de bezetter het in 1940 volledig vernielde. Wat er vandaag staat, is het naoorlogse ontwerp van architect Léon Stynen: een modernistisch gebouw met gebogen glaspartijen, sinds 1998 beschermd monument en een van de grootste casino’s van Europa.

Middelkerke telde ondertussen zelf al drie casino’s: een eerste van 1891 tot 1914, een tweede tot 1940, en een derde dat van 1954 tot 2017 dienstdeed. Toen dat laatste gebouw zijn levenseinde bereikte, volgde een bewogen aanbestedingsverhaal vol juridische geschillen en jaren stilstand, tot de bouw in 2022 eindelijk startte. In maart 2024 opende het resultaat: Silt, het vierde casino van Middelkerke, meteen ook een nieuw hotel.

Silt en Thermae Palace: twee iconen op dezelfde dijk

Silt is meer dan een casino: het gebouw, met zijn houten gevelconstructie die aan een aangespoelde meerpaal doet denken, herbergt in één complex het casino, een hotel met 73 kamers, restaurants en eventruimtes. Het Silt Hotel torent zo, net als het Thermae Palace verderop in Oostende, boven de zeedijk uit als het nieuwe visitekaartje van zijn stad.

Het is een treffende echo. Waar het Thermae Palace de ambitie van Leopold II en de negentiende-eeuwse droom van een koninklijke badstad verzinnebeeldt, vertegenwoordigt Silt een 21-eeuwse versie van diezelfde ambitie: een badplaats die zichzelf heruitvindt zonder haar geschiedenis te verloochenen. Beide gebouwen markeren de plek waar hun stad zich het meest wil laten zien aan zee, en beide deden dat pas na jaren van verwoesting of vertraging die het wachten waard bleken.

De middenkust, toen en nu

In de volksmond heeft men het vandaag vaak over “de middenkust” om het centrale stuk van onze 67 kilometer lange kustlijn aan te duiden, met Oostende dat geografisch ongeveer halverwege De Panne en Knokke ligt.

Het is een toevallige echo van iets veel ouder: lang voor er sprake was van een rechte kustlijn, van een kustweg of van badplaatsen, bepaalde het water zelf al waar het midden lag. Een kerkje tussen twee uiteinden van een verdwenen eiland, gebouwd rond 1200,
wist dat al voor iemand ooit het woord “middenkust” bedacht.

Oostende, Middelkerke en Westende delen dus meer dan een postcode aan zee. Ze delen een geologisch verleden op Testerep, een naam die letterlijk hun positie ten opzichte van elkaar beschrijft, en een 19de- en 21ste-eeuwse gewoonte om hun ambities in steen — of hout — aan de zeedijk te tonen.

Wie vandaag over de kustweg van het Thermae Palace in Oostende naar Silt in Middelkerke rijdt, verplaatst zich in wezen over de rug van een eiland dat er al meer dan duizend jaar niet meer is, maar dat deze kust nooit helemaal heeft losgelaten.